INLEIDING
Tijdens een doctoraal werkcollege “baljuwen en schouten”, dat onder leiding stond van dr. J.A.F. de Jongste, heb ik een onderzoek verricht naar de baljuwen van Rijnland in de periode 1588–1795.
Een lijst met namen van de baljuwen was reeds voorhanden en behoefde slechts kleine correcties (*1). Voor dit onderzoek zijn, naast gegevens van persoonlijke aard, genealogische gegevens, gegevens over opleiding en carrièreverloop, gegevens over het ambt van baljuw en het recruteringsveld van de baljuwen, bijeengebracht.
De gegevens zijn verkregen via de bestaande literatuur en door verrichting van onderzoek in de doop-, trouw- en begraafregisters, familiearchieven en de overheidsarchieven van de Republiek: de archieven van de Staten van Holland, het college van de Ridderschap van Holland, de Rekenkamer der Domeinen en het archief van het baljuwschap van Rijnland. Naast de bestaande literatuur over het baljuwschap zijn de instructies, commissies (aanstellingen) en eedsformulieren bestudeerd om inzicht in het ambt zelf te verkrijgen.
Tijdens het onderzoek hebben een aantal vragen centraal gestaan: welke plaats nam het baljuwschap in de carrière in en welke waarde werd eraan gehecht in de loop der tijd? Hiervoor is gekeken naar leeftijd, ambtsduur en eventuele nevenfuncties van de baljuwen, en is het carrièreverloop van de veertien baljuwen in deze periode met elkaar vergeleken.
Tevens is onderzocht of zij tot een bepaald college behoorden, zoals de vroedschap van Leiden en de Ridderschap van Holland. Daarnaast is ook getracht aandacht te schenken aan andere vragen, zoals: kan er met behulp van genealogische gegevens eventuele familiebanden met adellijke families of families uit het patriciaat van Leiden worden aangetoond, en hadden de politieke gebeurtenissen (1618, 1650, 1672, 1748, 1787 en 1795) invloed op de keuze en het ambt van de baljuw?
Allereerst zal de functie van de baljuw van Rijnland, de benoemingen en het ambtsgebied aan de orde komen. De belangrijkste bronnen hiervoor waren het boek van Simon van Leeuwen uit 1667 (*2), waarin de inrichting en procesvoering van de vierschaar van Rijnland, zoals die in de zeventiende eeuw bestonden, uitvoerig beschreven staan, en de instructies, commissies en eedsformulieren van de baljuwen, die zich in de overheidsarchieven bevinden.
DE ONTWIKKELING VAN HET BALJUWSCHAP VAN RIJNLAND
Aard van de functie
Naast de buitencommissies in Den Haag waren de belangrijkste ambtenaren op gewestelijk niveau op het platteland de baljuwen en schouten. Zij waren een intermediair tussen het gewestelijke bestuur — de stadhouder — en het plaatselijke bestuur in de ambachtsheerlijkheden. De baljuw stond aan het hoofd van een groter district. Holland was verdeeld in een aantal baljuwschappen: Zuid-Holland, Schieland, Delfland, Rijnland, Kennemerland en Amstelland. De schout stond aan het hoofd van een kleiner district: het ambacht.
De belangrijkste taak van de baljuw van Rijnland (4) tijdens de Republiek was het vervolgen en straffen van misdadigers. Tezamen met rechters — de zogeheten “welgeboren mannen” — behandelde hij criminele en lijfstraffelijke zaken in eerste aanleg en civiele zaken in hoger beroep. Het baljuwsgerecht oefende de hoge rechtspraak uit, dat wil zeggen dat het bevoegd was halszaken te berechten en doodvonnissen uit te voeren, waartoe de schout en schepenbank in de lage heerlijkheden niet bevoegd waren.
De baljuw was voorzitter van de rechtbank (de vierschaar), die uit dertien welgeboren mannen bestond voor de berechting van criminele zaken en uit minimaal zeven rechters indien er civiele zaken behandeld werden. De vierschaar werd jaarlijks samengesteld en kwam eens in de veertien dagen bijeen in het Leidse stadhuis.
Naast deze rechterlijke taak had de baljuw een aantal andere taken. Hij bevestigde personen die ambten bekleedden die onder ede stonden, zoals vroedvrouwen, chirurgijnen, schoolmeesters, tappers, herbergiers en ijkmeesters (5). De schouten van ambachtsheerlijkheden legden eveneens bij hun ambtsaanvaarding een eed af aan de baljuw en waren bovendien verplicht hem binnen vier dagen op de hoogte te brengen van alle lijfstraffelijke zaken die in hun ambtsgebied gepleegd waren.
Ook nam de baljuw rekesten in behandeling in belastingzaken, hield zich bezig met de aanwijzing van voogden en curatoren en was belast met de keurwetgeving. In de achttiende eeuw hield de baljuw zich hoofdzakelijk bezig met strafzaken (6).
Sinds 1285 werd het ambt van baljuw van Rijnland gecombineerd met het ambt van dijkgraaf. Samen met zeven hoogheemraden vormde de dijkgraaf het college van het hoogheemraadschap. Dit college inspecteerde de dijken en sluizen. De functies van hoogheemraad en dijkgraaf werden, in verband met de hoge inkomsten, als zeer aantrekkelijk beschouwd (7). De boeten waren voor de helft voor de dijkgraaf en de andere helft werd onder de hoogheemraden verdeeld.
Instructie, kosten en inkomsten
In dit artikel zal de nadruk worden gelegd op de justitiële taak van de functie van baljuw, die in de instructie en commissie is vastegeld.
In het archief van de Rekenkamer der Domeinen is de instructie voor de baljuwen en schouten nog aanwezig. Deze is in 1582 opgesteld en heeft tot aan 1795 slechts kleine wijzigingen ondergaan (8). In de instructie staat als eerste punt vermeld dat de baljuw in zijn rechtsgebied misdadigers moet opsporen, vervolgen, in hechtenis nemen, berechten en bovendien zorg moet dragen voor de uitvoering van de straffen.
De baljuw moest alle kosten die uit zijn werkzaamheden voortvloeiden — waaronder het levensonderhoud van de gevangenen die in het Gravensteen te Leiden werden vastgehouden en de kosten van de terechtstelling — zelf betalen. Aan het einde van het jaar kon hij een gedeelte van deze onkosten bij de Staten van Holland declareren.
In de aanstellingsbrief stond voorts dat hij jaarlijks voor het ambt een bedrag van driehonderd pond aan de rentmeester-generaal van de domeinen in Noord-Holland betalen moest. Daartegenover stonden de uit de rechtspraak voortvloeiende inkomsten. Hij ontving een derde deel van de boeten, breuken en confiscaties die voortkwamen uit de berechting van criminele zaken. In de commissie stond bovendien dat hij een zesde deel van de boeten van zaken die door zijn toedoen bij het Hof van Holland waren voorgekomen, ontving.
In de 18e eeuw kon het ambt 10.000 gulden per jaar aan inkomsten opleveren, hetgeen een aanzienlijk bedrag was in die tijd. Door deze emolumenten behoorde het ambt van baljuw tot een van de hoogst betaalde functies (9).
Benoeming van de baljuw
Het ambt van baljuw op het platteland is in veel opzichten vergelijkbaar met het ambt van schout in de steden. De schout in de steden vertegenwoordigde het landsheerlijk gezag tegenover het plaatselijke bestuur en werd door de stadhouder benoemd.
De baljuw was de vertegenwoordiger van de stadhouder op het platteland. De Staten van Holland stelden een lijstvan drie personen op, waaruit de stadhouder een keuze kon maken. In de stadhouderloze tijdperken (1650–1672 en 1702–1748) benoemden de Staten van Holland zelf de baljuw.
In de aanstelling stond dat iemand werd aangesteld vanwege zijn “getrouwicheit, qualiteiten de goede ervarentheit”. Daarna volgde een korte taakomschrijving, die in de instructie nader werd uitgewerkt. De baljuw werd “tot onsen kennelijkken wederseggen” — ofwel voor onbepaalde tijd — benoemd en was afzetbaar.
In de periode 1588–1795 is alleen de laatste baljuw tijdens de revolutie afgezet. De andere dertien zijn, soms tot op hoge leeftijd, tot aan hun dood in functie geweest. (Alleen Johan van den Bergh heeft in 1751, vanwege zijn 86-jarige ouderdom, vrijwillig afstand gedaan.)
De aanstelling ontving de baljuw uit handen van de Staten van Holland; de instructie werd door de Rekenkamer der Domeinen uitgevaardigd (10). De baljuw moest bij zijn ambtsaanvaarding een eed afleggen aan de Rekenkamer en jaarlijks verantwoording afleggen van zijn financiën.
Eedsformulieren
De eedsformulieren van de diverse rekenplichtige ambtenaren stonden in een apart register geadministreerd, en van de baljuwen en dijkgraven zijn de twee versies van de eed daarin bewaard gebleven (11). In de eed moest de baljuw beloven zijn functie uit te oefenen “al naar breder inhoud der commissie en de instructie daarvan verleent”, zoals die in de commissie en instructie omschreven stond.
Uit de stadhouderloze periode dateert waarschijnlijk een eed die wat uitgebreider is. Hierin moest de nieuwe functionaris de Staten van Holland en West-Friesland erkennen als zijn soevereine overheid en hen trouw beloven. Voorts staat er in vermeld dat hij zich precies moest houden aan de inhoud van de aanstelling en de instructie.
In 1656 werd bovendien door de Staten van Holland besloten om alle rekenplichtige ambtenaren tevens een “eed van suyveringe” af te laten leggen, om eventuele corruptie tegen te gaan (12).
Sinds de opheffing van de Rekenkamer der Domeinen in maart 1728 werd de eed afgelegd aan de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier.
Benoeming van de vierschaar
De vierschaar werd jaarlijks samengesteld. De baljuw van Rijnland koos 25 personen hiervoor en het Hof van Holland koos uit deze voordracht dertien welgeboren mannen. Deze legden bij hun ambtsaanvaarding een eed af aan de baljuw.
Overige ambtenaren
De baljuw beschikte over een assistent die tevens zijn plaatsvervanger was. Deze heette substituut-baljuw of stedehouder. Evenals de secretaris werd hij gekozen door de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier (het dagelijks bestuur van Holland) uit een voordracht van drie personen (13). Daarnaast waren er een klerk en een aantal boden in dienst van de baljuw die hij zelf moest betalen.
Ambtsgebied
Tot 1724 was de baljuw van Rijnland tevens schout van Cronswaert, Poelien (Waddingsveen) , Zuidelwijck, Zevenhoven, Noorden, Nieuwelaea en Kudelstaert. Deze ambachten werden toen door de Staten van Holland verkocht.
Onder het rechtsgebied van Rijnland vielen de dorpen Aarlanderveen, Pulmot, Alphen en Rietveld, Benthorn, Kalslagen, Kudelstaart, Leimuiden, Leiderdorp, Middelburg, Nieuwveen, Noord- en Zuid-Waddingsveen, Sassenheim, Sluipwijk, Stompwijk, Oudshoorn en Gnephoek, Rijnsaterswoude, Tedingbroek, Uiterbuurt, Voorburg, Vriezekoop, Vennep, Wilsveen, Zegwaard, Zevenhoven en Noorden, Zoeterwoude en Zoetermeer.
De binnen het baljuwschap gelegen steden en hoge heerlijkheden vielen niet onder zijn gezag.
Het rechtsgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland viel niet samen met dat van het baljuwschap. De jurisdictie van het eerstgenoemde was groter (14).
DUUR VAN HET AMBT EN DE WAARDE VAN HET AMBT
Leeftijden en zittingsduur van de baljuwen
Over de gehele periode waren negen van de veertien baljuwen bij de aanvang van hun ambt veertig jaar of ouder. Alleen in de eerste periode (tot en met 1669) waren er drie personen die bij hun ambtsaanvaarding 26 jaar of jonger waren.
Pieter van der Does was 26 jaar toen hij in 1588 door Maurits tot baljuw benoemd werd; hij was tot 1595 tevens schout van Leiden. Pieter van der Does had voor een militaire carrière gekozen en had gedurende zijn gehele ambtsperiode deelgenomen aan de oorlog tegen de Spanjaarden. In 1599, het jaar waarin hij zou sneuvelen, werd hij tot admiraal van de vloot benoemd.
In de beginperiode waren er twee personen die het baljuwschap als beginstation van hun carrière hadden. In 1636 werd Amelis van den Bouchorst op 23-jarige leeftijd aangesteld. Hij volgde zijn vader Nicolaes van den Bouchorst als baljuw van Rijnland op. A. van den Bouchorst zou in zijn leven nog een aantal andere belangrijke functies en nevenfuncties naast zijn ambt van baljuw vervullen.
Zijn opvolger was ook zeer jong: Gijsbert van Mathenesse, die 25 jaar was toen hij in deze functie benoemd werd. Mathenesse heeft deze functie slechts kort bekleed, aangezien hij drie maanden na zijn aanstelling overleed. Hij stond bekend als een losbol en als gevolg van zijn royale levensstijl waren zijn familiegoederen zwaar belast. Het ambt van baljuw en dijkgraaf was een lucratieve baan en had hem misschien financieel uitkomst kunnen brengen (15).
Na Mathenesse werden er voornamelijk wat oudere personen aangesteld. Vooral in de laatste periode, na 1725, is de leeftijd gemiddeld hoger dan in de eerste periode (de gemiddelde leeftijd is dan 51 jaar).
De oudste baljuw was Johan van den Berg, die in 1725 op 60-jarige leeftijd benoemd werd. Ondanks zijn hoge leeftijd was zijn ambtsduur toch nog 26 jaar en behoorde hij daarmee tot een van de drie baljuwen met de langste ambtsperiode.
Het Gravensteen in Leiden
(In het originele document stonden hier afbeeldingen; ik laat ze weg maar behoud de tekst.)
Het Gravensteen in Leiden in 1623. Hier zaten de verdachten in voorarrest. Tevens werden hier de terechtstellingen gehouden.
Het Gravensteen in 1763. Illustraties uit het Leids Jaarboekje 1938.
Recruteringsveld van de baljuwen van Rijnland: de Hollandse adel uit het college van de Ridderschap
Twaalf van de veertien baljuwen waren reeds of werden na hun ambtsaanvaarding lid van de Hollandse Ridderschap. (Negen waren reeds lid en drie werden naderhand toegelaten tot dit college.) Alleen Pieter van der Does (1588–1599) en Johan van den Bergh (1725–1751) werden geen lid van de Ridderschap.
De Ridderschap was een gesloten college dat zich door coöptatie aanvulde. De leden vertegenwoordigden alle edelen en het platteland van Holland in de vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland. De leden kregen sinds 1590 gezamenlijk 45.000 gulden presentiegeld; bovendien ontvingen zij inkomsten die uit het beheer van de kloostergoederen van Rijnsburg en Leeuwenhorst voortvloeiden.
Niet alle edelen werden tot het college van de Ridderschap toegelaten. In de zeventiende eeuw werd het lidmaatschap vrijwel erfelijk. In 1666 (16) werd een reglement vastgesteld dat tot doel had het aantal leden beperkt te houden. De voordelen bleven hierdoor voor elk lid groot.
In het reglement van 1666 stonden de volgende toelatingsvoorwaarden:
• De oudste zoon van een overleden lid kon automatisch tot het college worden toegelaten, als hij ten minste 25 jaar oud was.
• Wanneer iemand geen zoon als opvolger naliet, kon zijn oudste broer of diens zoon toegelaten worden.
• Andere leden werden alleen geaccepteerd als ze met meerderheid van stemmen gekozen werden.
• Niet-Hollandse edelen konden alleen lid worden bij een unanimiteit van stemmen.
• Als algemene voorwaarde bleef gelden dat men in het bezit moest zijn van een ambachtsheerlijkheid, een hoge heerlijkheid of een riddermatig hofstede in Holland.
In de periode van de Republiek varieerde de samenstelling van het college van de Ridderschap van vijf tot twaalf.
Het lidmaatschap van het college de Ridderschap gaf toegang tot vele belangrijke ambten. Zij benoemden onder andere:
• de voorzitter van de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier
• twee afgevaardigden naar de Staten-Generaal
• twee afgevaardigden naar de Raad van State
• twee raden voor het Hof van Holland
• twee bewindhebbers van de VOC (17)
Ook het ambt van baljuw van Rijnland werd meestal door iemand van de Ridderschap bekleed (18).
Tegenstellingen binnen de Ridderschap
Binnen het college van de Ridderschap speelden zich door de eeuwen heen factietegenstellingen af. In het begin van de 17e eeuw was de meerderheid van de Ridderschap voorstander van de politiek van landsadvocaat Oldenbarnevelt. Na zijn arrestatie in oktober 1618 wendde Maurits zijn invloed aan om stadhoudergezinde aanhangers in het college van de Ridderschap te laten beschrijven. Dit waren Adriaan van Swieten en Nicolaas van den Bouchorst, heer van Wimmunum, beiden leden van oude adellijke Hollandse geslachten.
Adriaan van Swieten had een militaire carrière doorlopen en was in 1610 tot baljuw van Rijnland benoemd. Na zijn toelating tot de Ridderschap werd hij tevens benoemd tot een van de rechters van instructie in het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt (19). Nicolaas van den Bouchorst werd na zijn toelating tot de Ridderschap in 1621 en 1624 als ambassadeur naar Frankrijk gezonden. Na de dood van Van Swieten in 1624 werd hij benoemd tot baljuw en dijkgraaf van Rijnland (20).
In het begin van de 18e eeuw stond Wigbold van der Does, heer van Noordwijk en sinds 1707 baljuw van Rijnland, in 1718 aan het hoofd van een meerderheidsfactie in het college van de Ridderschap. Hij was in 1702 lid geworden van het college en nam tot 1714 een minderheidspositie in. Tot die tijd hadden Arent van Wassenaar, heer van Duvenvoorde (zoon van de baljuw van Rijnland Jacob van Wassenaar, van Duvenvoorde, 1649–1707), en Arnold Joost van Keppel, graaf van Albemarle, de meeste zeggenschap in het college.
In 1714 werd Wigbold van der Does tot permanent gedeputeerde naar de Staten-Generaal benoemd en had daarmee Van Duvenvoorde voorbijgestreefd. Na de dood van Albemarle in 1718 was Van der Does het invloedrijkste lid van het college en werd hij in april 1723 benoemd tot voorzitter van de Gecommitteerde Raden (21).
Door zijn contacten met de Amsterdamse burgemeester Bambeeck zou Van der Does tevens veel invloed krijgen in de vergadering van de Staten van Holland (22).
De factiestrijd binnen de Ridderschap werd niet zozeer gestreden vanwege verschillen in binnenlandse of buitenlandse politiek, of vanwege een voorkeur of afkeur van het stadhouderschap. De strijd werd voornamelijk gestreden om de macht binnen het college zelf. Wie in een meerderheidspositie verkeerde, kon de belangrijkste ambten voor zichzelf, familieleden en factiegenoten opeisen.
Hoewel de Ridderschap slechts één stem had in de vergadering van de Staten van Holland (tegenover de achttien stemmen van de steden), kon zij toch redelijk veel invloed uitoefenen op de buitenlandse politiek en het bestuur van Holland en de Generaliteit. Dit kwam niet alleen door het voorzitterschap van de Gecommitteerde Raden, dat altijd vervuld werd door een lid van de Ridderschap, maar ook doordat één of twee leden van het college betrokken waren bij het vooroverleg met de raadpensionaris van Holland.
De raadpensionaris besprak binnenlandse en buitenlandse aangelegenheden eerst met een kleine groep raadgevers, voordat hij ze aan een commissie (de “secrete besogne”) van de Staten van Holland of Staten-Generaal voorlegde. Bij dit vooroverleg waren naast leden van de Ridderschap ook een aantal burgemeesters (meestal uit Amsterdam) aanwezig. Rond 1720 was ook de burgemeester van Leiden, Johan van den Bergh, bij dit vooroverleg betrokken. Over de positie van Johan van den Bergh zal hierna worden uitgeweid (23). De raadpensionaris was vaak ook pensionaris van de Ridderschap.
Tegenstellingen tussen adellijke families
De tegenstellingen tussen adellijke families werden niet alleen binnen de Ridderschap uitgevochten. Zo heeft het college het lidmaatschap van Frederik Hendrik van Wassenaar, heer van Katwijk, tien jaar lang weten tegen te houden. In 1727 had hij volgens geboorterecht recht om in het college gekozen te worden. Dit gebeurde echter pas in 1737.
Door zijn goede contacten met leden van het Oranjehuis kreeg hij toch een aantal lucratieve functies (24). Na zijn toelating bleef Wassenaar van Katwijk een aanhanger van de prins. Tijdens de roerige jaren 1747–1748 werd Van Wassenaar van Katwijk naar de steden gezonden om namens stadhouder Willem IV te spreken met de stadsbesturen en de oproerlingen, om de rust in de steden te herstellen (25).
Een paar jaar later, in 1751, werd hij in vele functies benoemd: hij werd drossaard van Gorinchem, baljuw van Woudrichem, president van de Raad der Domeinen van de prins van Oranje, baljuw en schout van Den Haag, baljuw en dijkgraaf van het land van Altena, en tot slot volgde hij Johan van den Bergh op als baljuw en dijkgraaf van Rijnland (26).
De invloed van de steden en de stad Leiden op het baljuwschap
De steden probeerden invloed uit te oefenen op het platteland. Zij trachtten het platteland te overheersen door het economische leven, de rechtspraak en de keurwetgeving in een voor hen gunstige betekenis te beïnvloeden (27).
In 1582 werd op voorstel van de stad Leiden het Leidse schoutambt gecombineerd met het baljuwschap van Rijnland. Onder Foy van Brouckhoven (1582–1588) bleek deze combinatie gunstig voor de stad Leiden te zijn. Zijn opvolger, Pieter van der Does, was niet bereid om de stad invloed te geven op het bestuur van Rijnland, en tijdens zijn ambtsperiode kwamen hier onenigheden over tussen hem en het stadsbestuur van Leiden. Na de dood van Pieter van der Does in 1595 achtte de stad deze combinatie van functies niet langer wenselijk (28).
In 1725 werd, na de dood van Wigbold van der Does, niet zoals gebruikelijk een lid van de Ridderschap tot baljuw van Rijnland benoemd, maar Johan van den Bergh, burgemeester van Leiden. Deze benoeming was mogelijk doordat er toen geen stadhouder in Holland was die de baljuw moest nomineren.
Op de nominatie stonden twee leden van de Ridderschap: K.P. van Dorp, heer van Maasdam (zoon van de voormalige baljuw van Rijnland Frederik van Dorp, 1670–1679), en J.H. Wassenaar van Obdam. Als derde stond Johan van den Bergh op de lijst. Aangezien de Staten van Holland nu ook de baljuw konden kiezen, gebeurde het dat een correspondentie van twaalf steden de benoeming van Van den Bergh doordreef.
Van den Bergh was sinds 1693 lid van de Leidse vroedschap en werd, evenals zijn vader en grootvader destijds, schepen en later vele malen burgemeester van Leiden. Tijdens zijn baljuwschap heeft hij nog elfmaal het ambt van burgemeester vervuld (tot 1747). Johan van den Bergh was in de periode 1588–1795 de enige baljuw die niet uit een adellijk geslacht stamde (29).
DE WAARDE VAN HET AMBT
Eén van de punten die centraal hebben gestaan in het onderzoek naar de baljuwen was de vraag welke waarde er aan het ambt in de loop van de 17e en 18e eeuw werd gehecht. Als criteria hiervoor hebben de gegevens van leeftijd, opleiding, nevenfuncties en de plaats die het ambt in de carrière innam, gediend.
Leeftijd
Alleen in de beginperiode tot en met 1669 was de leeftijd van de baljuwen laag. In de achttiende eeuw werden wat oudere personen tot baljuw gekozen (30).
Opleiding
In de beginperiode had geen enkele baljuw een juridische opleiding genoten. Na 1670 had de meerderheid van de baljuwen wel een mr.-titel behaald.
De volgende baljuwen hadden een juridische opleiding voltooid:
• Frederik van Dorp (1670–1679)
• Johan van den Bergh (1725–1751)
• Frederik Hendrik Wassenaar van Katwijk (1751–1772)
• Jacob Jan van Wassenaar van Obdam (1772–1780)
• Willem Lodewijk van Wassenaar van Starrenburg (1787–1795)
Nevenfuncties
De helft van alle baljuwen had zeer belangrijke (neven)functies naast hun ambt van baljuw van Rijnland.
• Pieter van der Does (1588–1599) had een hoge militaire functie en streed op zee tegen de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.
• Amelis van den Bouchorst (1636–1669), Jacob van Wassenaar van Duivenvoorde (1679–1707), Wigbold van der Does (1707–1725) en Willem Lodewijk van Wassenaar van Starrenburg (1787–1795) waren alle vier voorzitter van de Gecommitteerde Raden — een functie die eigenlijk niet te combineren was met andere functies, aangezien er dagelijks vergaderd werd.
• Johan van den Bergh was elf jaar burgemeester van Leiden.
• Frederik Hendrik van Wassenaar van Katwijk had vele nevenfuncties naast zijn ambt van baljuw van Rijnland.
Plaats in de carrière
De helft van alle functionarissen werd aan het einde van hun carrière tot baljuw benoemd. Dit gold voor:
• Arent van Duvenvoorde (1600–1610)
• Adriaan van Swieten (1610–1624)
• Nicolaas van den Bouchorst (1624–1636)
• Frederik van Dorp (1670–1679)
• Jacob Jan van Wassenaar van Obdam (1679–1707)
• Wigbold Johan Theodoor van der Does (1780–1787)
Slechts twee personen werden aan het begin van hun loopbaan benoemd tot baljuw van Rijnland:
• Amelis van den Bouchorst (1636–1669)
• Gijsbert van Mathenesse (1669–1670)
Sociale achtergrond van de baljuwen
Aangezien het ambt van baljuw van Rijnland meestal door iemand uit het college van de Ridderschap werd bekleed, zijn de baljuwen uit een kleine kring van adellijke families afkomstig.
• Drie leden van de familie Van der Does
• Twee leden van de familie Van den Bouchorst
• Vijf leden uit verschillende takken van de familie Van Wassenaar
Deze baljuwen van adellijke afkomst huwden voor het merendeel met leden van de Hollandse adel. Alleen Frederik van Dorp trouwde tweemaal met een niet-adellijk persoon.
In de archieven van de families Van Wassenaar en Van der Does bevinden zich genealogische registers en aantekeningen. Hieruit blijkt niet alleen hun belangstelling voor genealogie, maar ook dat zij veel betekenis hechtten aan hun adellijke geslacht. De grote mate van endogamie onder deze Hollandse edelen kan verklaard worden uit de wens om de waarde en de betekenis die men aan het geslacht hechtte, in stand te houden (31).
Invloed van de stadhouders en de politieke gebeurtenissen van 1618, 1748 en 1795
De positie van de stadhouder was na de Opstand tweeslachtig. Enerzijds was hij dienaar van de Staten, die toen de soevereiniteit bezaten. Anderzijds behield de stadhouder rechten die hij in de landsheerlijke periode, als plaatsvervanger van de landsheer, bezat. Zo behield hij het recht van gratie en het recht van nominatie van burgemeesters, schepenen en schouten in de steden en van de baljuwen op het platteland (32). (met uitzondering van Amsterdam, Rotterdam en Schiedam).
Prins Maurits (1585–1625) maakte actief gebruik van het recht van nominatie en kon op deze wijze invloed uitoefenen op de stadsbesturen. In 1618 zette hij niet alleen de wet in vele steden, om zo zijn aanhangers aan de macht te brengen, maar wendde hij tevens zijn invloed aan om personen die stadhouderlijk gezind waren in het college van de Ridderschap te benoemen.
Ook benoemde hij in 1610 (Adriaan van Swieten) en 1624 (Nicolaas van den Bouchorst) personen tot baljuw van Rijnland die als zijn aanhangers beschouwd kunnen worden.
Stadhouder Willem IV (1747–1751) benoemde in 1751 een aanhanger tot baljuw van Rijnland (Frederik Hendrik van Wassenaar van Katwijk), die hem in de woelige periode van 1747/48 van dienst was geweest (33).
In 1795 werd Willem Lodewijk van Wassenaar van Starrenburg uit zijn ambt ontzet. Dit was de enige keer in de periode 1588–1795 dat een baljuw van Rijnland werd afgezet.
CONCLUSIES
1. De baljuw van Rijnland werd voor onbepaalde tijd benoemd door de stadhouder. In de stadhouderloze perioden benoemden de Staten van Holland de baljuw, waardoor de steden invloed konden hebben op de keuze van de baljuw.
2. Het ambt werd meestal vervuld door iemand uit het college van de Hollandse Ridderschap.
3. De taak van de baljuw werd in de achttiende eeuw overwegend het behandelen van strafzaken.
4. De leeftijd van de baljuwen was aan het einde van de zeventiende eeuw, maar vooral in de 18e eeuw, hoger dan aan het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw. Na 1725 was de gemiddelde leeftijd bij de aanvang van het ambt 51 jaar. Tevens werden er toen voornamelijk personen aangesteld die een juridische opleiding hadden voltooid.
5. De helft van de baljuwen werd aan het einde van hun loopbaan tot dit ambt benoemd.
6. De helft van alle baljuwen had belangrijke (neven)functies naast hun ambt. Veel werkzaamheden zullen door de substituut zijn verricht.
7. Het ambt van baljuw van Rijnland werd in de periode 1588–1795 als een aanzienlijk ambt beschouwd. Mede door de hoge emolumenten die aan het ambt verbonden waren, werd het door velen geambieerd.
De Baljuwen van Rijnland 1588–1795 versie 5